Waag het (Gods) Verbond te maken – Verbond wagen

Deel deze pagina

Dit is de tweede bijdrage over de vijfde regel: Waag het (Gods) Verbond te maken.
De vorige bijdrage  kun je hier vinden.

Verbond wagen

In onze gemeenschap leven we met een ‘leefregel’. Deze bestaat in feite uit vijf regels die als wegwijzers op onze weg staan, zowel als gemeenschap als op persoonlijk niveau.

 De vijf regels zijn:

1.         Word wie/wat je bent
2.         Broederschap, durf het aan
3.         Ga je weg
4.         Ontdek je verantwoordelijkheid
5.         Waag het (Gods) verbond te maken.

Ik herinner mij Maarten. Maarten Dohmen. Hij was 18 jaar oud en ik 21 toen we klasgenoten werden. Al aan het begin van het eerste jaar kreeg Maarten de ziekte van Hodgkin. Hij kreeg een behandeling die zijn leven zou verlengen maar niet zo heel lang. Hij bleef bij ons in onze klas. We vergaten vaak dat het zo was. Maarten zelf misschien ook; dat weet ik niet. Hij speelde. In de schoolhal speelde hij op de piano, zong ‘Welcome to the hotel California’; thuis draaide hij platen van Queen; in de tuin van zijn ouderlijk huis pootte hij een wietstruik en na de zomer betreurde zijn moeder het dat Maarten die mooie plant weer meenam. Hij vertelde over de feeën in Findhorn die de spruiten lieten groeiden tot het formaat van kolen en imiteerde de loopjes of typische houdingen van onze docenten. Hij schoot propjes papier door de klas; schroefde pennen los en lanceerde het voorste deel als een raket; hij klopte links achter op je schouder en stond lachend rechts voor je te wachten terwijl je om je heen zocht naar wie je aandacht vroeg. Of hij fluisterde zachtjes in je oor: zijn wij niet allemaal even… en knalde dan luid en kort: BANG!

Ik heb nooit gemerkt dat Maarten bang was. Ik denk dat hij zomaar ‘jij’ zou zeggen als de grote Meester vroeg: ‘wie ben je’*. Al was het maar voor de grap of omdat ‘ik’ zeggen hem maar vreemd in de oren klonk. Maarten verliet ons aan het eind van het vierde en laatste jaar en overleed nadat wij examen hadden gedaan. Zijn moeder vertelde dat hij op een gegeven moment zijn rug naar haar had toegedraaid en stierf.

Zijn wij niet allemaal even BANG!?

Ik ben voor mezelf eens nagegaan hoe vaak ik aangeklopt heb bij groot licht en wanneer dat dan was en waarom ik dat deed. Ik kwam tot de ontdekking dat ik het licht maar al te vaak uit de weg ging (als ik het al zag en vertrouwde). Liever liep ik een straatje om en zocht mijn heil bij een minder licht. Eerlijk gezegd had ik pas de moed om te kloppen als de nood hoog was en het water me aan de lippen stond. Dan ging ik met de bibber in de benen af op het grootste licht dat ik maar vinden kon.

Waag het (Gods) Verbond te maken. Waar zijn we zo bang voor? Marianne Williamson zegt er dit over: Onze diepste angst is niet dat we onvolmaakt zijn. Onze diepste angst is dat we immens krachtig zijn. Het is ons licht, niet ons duister dat ons het meest beangstigt.** Zij noemt het valse bescheidenheid. Ze zegt dat we onszelf klein maken terwijl we toch talentvol zijn en bedoeld om te stralen.  

De moeilijkheid is m.i. dat het ‘wij’ van Williamson de meervoudsvorm is van het ‘ik’ dat niet kan bestaan (zie vorige stukje). Dat ‘ik’ zou licht zijn!? Ik ben ervan overtuigd dat zelfkennis de weg naar het Licht (God) is en dat jezelf klein maken die weg blokkeert. Maar volgens mij gaat het niet om ‘ons licht en ons duister’ maar gaat het om ‘hét licht en niet duisternis’ dat ons het meest beangstigt’. Niet ík ben dat licht, al kan ik (en al mijn ikken in mij) wel door licht verlicht worden. Ik betwijfel dan ook of mijn angst voor het licht ín mij groter is dan voor het licht elders. Hoe dan ook: er is genoeg reden om te zeggen dat het licht onze diepste angst is. Al was het maar omdat licht alles zichtbaar maakt en onze duisternis niet meer verborgen blijft als God, die licht is, overal is. Dat is misschien best om bang voor te zijn. Om ons te weren proberen we zelf het licht uit te doen maar dat is uiteindelijk is dat  ook heel erg eng. De ultieme angst is wel de angst voor de angst. Ontkenning van de angst is daarom een machtig wapen: boven je angsten gaan staan, jezelf heer en meester in jouw leven wanen en dat zo lang mogelijk volhouden. We zullen dat allemaal tot op zekere hoogte doen. In het extreme mate leidt het tot terrorisme en oorlogsmisdaden.

Er is zoveel dat we niet kennen. Reden genoeg om bang te zijn. In het ongekende kan ongeluk of gevaar schuilgaan en wij zijn kwetsbaar. Angst is een signaal. Voor ons fysieke bestaan is het van levensbelang. Voor onze zo teer besnaarde ziel is het al net zo belangrijk. Onbekend maakt onbemind. We willen gekend worden, we willen ons bemind weten. Angst staat ons in de weg om onszelf, de ander en de wereld te leren kennen en lief te hebben. Dus zullen wij onze angsten moeten leren kennen. Niet haat maar angst is vijand van de liefde. Bang zijn is een teken dat we op een punt staan onszelf of de ander beter te leren kennen. Kennis verlicht ons. In haar licht weten we ons geliefd.

In de verhalen van Thora en het evangelie luiden God en Jezus hun boodschap regelmatig in met: ‘vrees niet…’, ‘wees niet bang…’ Ze stellen ons gerust nog vóórdat ze gaan zeggen wat ze willen zeggen. Ze kennen ons en begrijpen onze angst beter dan wijzelf. Wij hebben geen idee wie Zij zijn maar ook niet wie wij zelf zijn in hun oogverblindend licht. In zoveel licht zien wij niets. Dus moeten Zij spreken en wij luisteren. Onbevreesd in stilte en met de ogen dicht. Komen we over onze angst heen? Kunnen we beetje bij beetje het Verbond gaan maken? Het blijft een waagstuk.

Ik moet zeggen dat mijn bibber niet minder werd naar de mate er meer licht in mijn leven kwam. De kloof van afgescheiden-zijn blijkt aldoor dieper dan ik dacht, genadeloos en onoverkomelijk. Maar ik leerde dat genade tot de mogelijkheden behoort en ik leerde, een beetje, lang niet altijd, de kunst verstaan mezelf gerust te stellen. En ik leerde kijken naar wat in schaduw en schemer zichtbaar kon worden en zag dat we stap voor stap de weg naar het Licht kunnen gaan. En dan, bij momenten, wordt het zonneklaar: ik ben jij.

Iemand staat te klungelen in de keuken, deksels kletteren op de grond. Het geluid galmt na in mij oren en wrevel wringt zich in mijn gemoed… ik ben jij.

Iemand zingt de sterren van de hemel, tranen van ontroering springen in mijn ogen… ik ben jij.

Iemands heeft een lelijke snee in zijn gezicht, ik voel de pijn, tast met mijn hand naar mijn gezicht en knijp mijn ogen dicht… ik ben jij.

De lelie in het veld slaat haar vleugels uit en reikt naar de hemel. Ik verdrink in haar kelk… ik ben jij.

Een foto in de krant van een huilende vluchtelinge na dagenlang zwerven door de bossen van Polen, uitgeput en aangerand. Ik verstijf, lees het artikel en raak ontzet…  ik ben jij.

Mijn kind, mijn vrouw, mij vriend, mijn geliefde… ik ben jij.

Maarten tikt op mijn linkerschouder. Ik zoek en draai mijn hoofd terug naar rechts voor. Ik ben er weer ingetrapt, ik lach terug in zijn lachende gezicht… ik ben jij en ja, ik denk net zo BANG.

Vanuit ’t Verdiep, Mariek

* Zie verhalen vorige stukje ‘Waag het (Gods) Verbond te maken 1. Ik ben jij’. Dit stukje sluit daarop aan.

** Uit ‘Onze diepste angst…’ gedicht van Marianne Williamson, voorgelezen door Mandela bij zijn inauguratie.

Aanmelden

Wil je je aanmelden voor deze activiteit? Vul het formulier zo volledig mogelijk in. Mocht je vragen hebben, dan kun je contact opnemen.